Chris’ USA Tour 2006/2007


Los Angeles – Monterey
maart 15, 2007, 8:27 AM'
Ingedeeld onder: __Nederlands

Laat ik beginnen met de foto van mijn wiel in de oceaan als bewijs dat ik de idiote traditie van mensen die het continent per fiets hebben overgestoken in ere houd. Op het moment dat ik de foto probeer te maken loopt er een vrouw voorbij. Ik voel de neiging uit te leggen waarom ik deze foto maak, maar zonder te hebben geluisterd kapt ze mijn uitleg halverwege af en groet mij terwijl ze vlug doorloopt. Misschien ziet ze mij aan voor een ontsnapte patiënt uit een gekkenhuis die in de veronderstelling verkeert dat je over water kunt fietsen en wanneer je deze mensen een vinger aandacht geeft, pakken ze je hand. Doorlopen en niet meer omkijken, negeren is het beste medicijn…

LA – Monterey   -  322 mijl

Vaak waanzinnig, soms overdonderend en een enkele keer verpletterend mooi! Dat is hoe mijn rit langs de westkust omhoog kan worden samengevat.  En niet alleen is de route mooi, hij is op bijna alle schalen van belang ook zeer geschikt voor de rondtrekkende fietser. Er zijn niet teveel auto’s, de weg is van zeer goede kwaliteit, er zijn krankzinnig veel State parks (klein maar bijzonder fijn), kamperen is goedkoop (de prijzen varierën van drie tot vijf dollar per nacht, maar rond de twintig dollar wanneer je geen fietser of voetganger bent en daarmee is Californië eerste staat waar ik mij als fietser bevoordeeld voel!), automobilisten zijn bijna altijd vriendelijk en steken vaak hun hand uit het raam en daarna hun duim op en het belangrijkste, de natuur is hier zowel qua uitzicht als qua aanwezigheid van levend wild absoluut bevredigender dan mijn reis totaan de westkust. Maar ik schreef op bijna alle schalen. Helaas is de schaal van Beaufort in combinatie met de richting van waaruit de wind vaak krachtig waait wederom niet in mijn voordeel.  

Gelukkig is de bries die mijn neusgaten vindt van een constante zilte frisheid waardoor ze, hoewel in mijn gezicht, anders aandoet dan tijdens mijn oversteek door het continent. Behalve de zilte noot in de lucht die in de woestijn moeilijk te vinden is doel ik hier vooral op het woord constant. Steden gevangen in een vallei of in hun eigen formaat, gehuld in een lichte mist van uitlaatgassen ben ik niet tegenkomen en zal ik niet meer aandoen tot ik terugfiets van oost naar west. Het tweede type geur dat ik gelukkig niet meer op heb hoeven snuiven sinds ik LA verlaten heb is die van diercarcassen. Wanneer je voordat je een overleden dier passeert een goede inschatting kan maken of het een overleden hert of ongelukkig stinkdier betreft ben je een paar stappen dichterbij de praktijkkennis van een patholoog anatoom dan gewenst. Niets meer van dit nu ik mijn weg naar het noorden aan het vinden ben, gelukkig.  

Voor de aangename verandering tref ik hier levende dieren langs de kant van de weg. Ik heb in drie weken tijd walvissen, dolfijnen, condors en raccoons gezien. De eerste drie vanaf respectable afstand, de laatste van dichterbij dat je denkt, daar ga ik eens rustig een mooie foto van maken.  Een week geleden namelijk werd ik, diep slapend in de veilige cocon van mijn slaapzak wakker van een krassend geluid op mijn tent. Ik doe mijn ogen open en zie op vijftien centimeter afstand een ronde schaduw op het tentzeil. Een egel, denk ik in eerste instantie…niets anders dan een mietje in een stoere outfit, een punkertje, nooit zwaar genoeg bevonden door Meneer de Uil voor zelfs maar het kleinste artikel in de Fabeltjeskrant. Dus ik sla hard op de grond en roep iets van ‘KSST!, SHOO!’. Het gekras stopt, maar de schaduw blijft. Half in mijn slaap en nauwelijks in staat tot denken heb ik de rits van de tent geopend en staar recht in de ogen van een raccoon. Ik herhaal, luider nu, mijn ‘KSST!, SHOO!’-kreet, de universele taal waarmee dieren in de VS worden weggejaagd. Maar deze raccoon spreekt of de taal niet, of is doof, want behalve een ietwat sullige, half onderzoekende blik en een miezerig half stapje achteruit ontlok ik met mijn kreet geen reactie. Ik begin te beseffen dat dit misschien geen heel veilige situatie was. Een dier dat oog in oog met een mens geen vluchtreactie vertoont is of passief of aggressief en ik heb geen zin uit te vinden welke van de twee. Het licht van mijn zaklantaarn (bliksemsnel getrokken uit een van mijn tassen) recht in zijn ogen bleek het dier uiteindelijk de gewenste podiumangst geven en langzaam verdween hij achteruitlopend uit het zicht.  Een halve minuut later besefte ik wat een prachtige mogelijkheid voor een foto ik zojuist gemist had en vijf minuten later liep ik met mijn zaklantaarn en camera over het kampeerterrein op zoek naar het dier ik zojuist had weggejaagd. De foto geeft aan dat ik uiteindelijk min of meer geslaagd ben met het fotograferen van raccoons, helaas niet meer dan min of meer. Uiteindelijk heb ik aan deze ontmoeting het ongewenste bijeffect overgehouden van het vermoeden dat alle krassende geluiden in de buurt van mijn tent raccoons zijn druk bezig mijn tweede laag van verdediging weg te knagen.

 Het zien van wilde dieren in hun natuurlijke omgeving is iets wat natuurlijk tot de verbeelding spreekt, maar hoe ik als stadsmens uit Nederland de dieren eigenlijk het liefst zie is precies als in een dierentuin, maar dan achter een onzichtbaar hek. De raccoons waren veel te dichtbij voor mijn gemak. De walvissen, dolfijnen en condors waren weer te ver weg. Zo ver te ver weg dat ik van de walvissen en dolfijnen niet eens de moeite heb genomen foto’s te maken en de foto die ik van de condor heb gemaakt is voldoende goed als bewijsmateriaal, maar ver beneden niveau als foto voor aan de muur. De juiste afstand tot exotische dieren is te vinden in de dierentuin, maar natuurlijk zorgen de opsluiting en het hek ervoor dat, hoewel minder ideaal in termen van afstand ik de dieren uiteindelijk veel liever zie in hun natuurlijke omgeving. Zeker als die omgeving de westkust van Californië is.

Iets meer over de omgeving. De afgelopen twee weken waren ‘hands down’ de mooiste twee van mijn hele reis. Bergen aan mijn rechterhand, de oceaan aan mijn linkerhand en de weg tien van de veertien dagen precies op de scheidinglijn van deze twee. En er gaan geruchten dat het van hier alleen nog maar mooier wordt. Ik durf het bijna niet te hopen, maar als het zo is dan voel ik mij de komende maand als in een droom die werkelijkheid geworden is. Deze droom en mijn reis als chronologische rode draad nemend komen we aan bij Hearst Castle, het illustere ’droomkasteel’ van William Randolph Hearst, een mediatycoon uit het begin van de vorige eeuw. Aan het einde van een succesvolle carriere besloot deze man een lang gekoesterde droom te verwezenlijken, een kasteel op de heuvels waar hij als kind vele vakanties heeft doorgebracht. Dat hij deze vakanties in zijn jonge jaren op familiegrond heeft doorgebracht heeft het verwezenlijken van deze droom ongetwijfeld eenvoudiger gemaakt.

Het ontbreken van een lange geschiedenis heeft als gevolg dat Hearst Castle een van de weinige kastelen is in de Verenigde Staten. Dit in combinatie met het feit dat het publiekelijk toegankelijk is heeft ertoe geleid dat het gebouw bekend is bij alle Amerikanen die beginnen te kwijlen bij de term ‘the american dream’. Hearst Castle was, en is het levende bewijs van hoe the american dream een populaire realityshow kan worden, gezien de onverwachte hoeveelheid toeristen op maandagochtend half elf ’s ochtends geduldig wachtend in de rij voor de busrit naar ingang van het kasteel, bovenop een bergtop enkele mijlen verderop. Onverwacht omdat het kasteel ongeveer tweehonderd mijl verwijderd is van zowel Los Angeles als San Francisco en gezien het gebrek aan bezoekers in de state parks die ik daarvoor en daarna bezoek is het geen vakantietijd.

En zo wordt dus duidelijk dat deze prachtige kuststrook, tjokvol adembenemende natuur, voor veel Amerikanen niets anders is dan ‘just another road from A to B’ in dit geval van de grote stad naar een kasteel van een landgenoot met veel knaken. Een kasteel met een mediterraanse buitenkant en een binnenkant die heel sterk doet denken aan een kerk. Terecht omdat het voor een groot gedeelte bestaat uit de voormalige inrichting van verschilllende kerken. De reden hiervoor is dat Hearst veel van de inboedel van europese kerken heeft overgenomen om zijn eigen paleisje in te richten, voor een prikkie zelfs. Europa was namelijk arm in een tijd waar Amerikanen als Rockefeller, Ford en Hearst veel geld hadden. En naar de inrichting van Hearst Castle in te schatten had William Hearst meer geld dan smaak en daarbij een ego zo groot dat de enige waardige inrichting die van een kerk was. Ik laat mijn fantasie de vrije loop en zie hem in zijn pyjama op een enorme pluche rode bank met een glas wijn in zijn hand een schaal macademianoten in zijn schoot beseffend, met een glimlach op zijn gezicht dat hij hier in zijn eigen kerk en zonder prekende priester zijn eigen hemel op aarde heeft geschapen. Hier is hij zijn eigen god…and to hell with the other. Intussen, veel van mijn nachten doorbrengend onder een nylon dak hoop ik dat mijn droom de komende maand zal uitkomen.