Ingedeeld onder: __Nederlands
Ik ben aangekomen in New York! Na 341 dagen, 17.500 kilometer (11.000 mijl), 33 staten, 3 bergketens, eindeloos veel heuvels, 197 kampeerovernachtingen, 80 muffe motelovernachtingen, 60 overnachtingen bij families, 25 overnachtingen langs de kant van de weg/ in het gras/ achter fastfood restaurants en 3 luxe hotelovernachtingen ben ik eindelijk weer terug in New York. Op het moment dat ik de Brooklyn Bridge opfiets wordt ik vanuit mijn oordoppen toegezongen door Frank Sinatra. Start spreading the news, I’m leaving today… (I’m arriving today, maar dat maakt niet uit) I want to wake up in a city, that never sleeps. And find I’m head of the list, top of the heap, king of the hill, cream of the crop, a number one. New York! En voor even voel ik mij de beste, de sterkste, de grootste, met het mooiste uitzicht op de skyline van New York. De laatste 10 kilometer naar het hostel is een overwinningskoers. Ik kom aan bij het hostel, stap af, loop met een voldaan gevoel naar binnen en dan…dan weet niemand van de 8 miljoen mensen in New York wat ik gedaan heb. Welke klus ik geklaard heb. Ik vertel aan de gehele incheckbalie van het einde van mijn reis en…that’s amazing, good for you, wow!, that’s awesome…dat is dus inderdaad amazing en good voor mij, maar dit was (zoals verwacht) dus niet echt een knallend einde van de rit. De jongens in mijn dormroom slapen wanneer ik rond een uur of negen de kamer binnenwandel gezamelijk als een roos en als ik in slaap probeer te vallen blijkt een van de roosjes te snurken… Chris, gefeliciteerd met het einde van je reis en bij deze geven we je een snurkende roos. Alsjeblieft. Overigens weten in Boston nu zo rond de 2000 trouwe lezers van de Boston Globe wel wat voor klus ik inmiddels geklaard heb. Maar ja, Boston is New York nog niet…
Ik besluit de volgende dag meteen door te fietsen naar New Jersey om Peter opnieuw te ontmoeten. Peter is de man die ik op de tweede dag van mijn reis, nu bijna een jaar geleden ontmoet heb. Hij weet dus van mijn reis en nadat ik hem bij aankomst gebeld heb weet hij ook van het einde van mijn reis. Samen proberen we een geschikte manier te vinden om met de fiets van New York naar Lebanon in New Jersey te fietsen. Nu blijken er verschillende manieren, maar helaas zijn al deze manieren kleine variaties op hetzelfde thema. Ik zal net als vorig jaar Jersey City door moeten fietsen met als letterlijk hoogtepunt een rivieroversteek over een van de bruggen (identieke adrenalineverhogende attracties op verschillende plaatsen) naar het vasteland van de VS.
Bijna een jaar geleden kreeg mijn reis op deze manier precies de kick-start die het nodig had. En waarom niet eindigen met precies dezelfde psychologische trap in mijn rug? Deze keer echter een andere brug met de naam ‘The Pulaski Highway Bridge’. Ik weet niet of jullie gehoord hebben van de ingestorte brug in Minneapolis? Dat had dus deze brug moeten zijn. Niet dat ik wens dat welke brug dan ook ooit instort, maar met de poolse horrornaam ‘Pulaski’ en zwart verroette uiterlijk is dit zo’n brug waarvan je zegt: Die wordt nooit netjes afgebroken, die stort in. Als ik ooit nog een horrorfilm ga schrijven dan zal het de naam van deze brug dragen. Twee mijl lang, twee banen breed en geen schouder. Natuurlijk had de brug wel een schouder toen ik naar boven fietste. Maar dat hoort bij een brug met een verdort karakter als deze en dient als lokaas. En eenmaal boven fiets je recht de bek van de duivel. De oprit, ik had beter moeten kijken, was zijn zwarte teren en rubber gestreepte tong.
Maar aan alles komt een einde. Aan mijn reis, maar gelukkig ook aan de brug en een uur of vier later fiets ik het erf van Peter op. Hij blijkt nog op zijn werk dus ik neem van de gelegenheid gebruik een heerlijke douche te nemen. Op het moment dat ik de douche uitstap stapt hij het huis in en beginnen we meteen een geanimeerd gesprek wat tot diep in de avond doorgaat. Dit is een veel betere aankomst…De volgende dagen worden gevuld met luieren in de tuin en kanotochten over het nabij gelegen Round Valley Reservoir en enkele autoritten door de prachtige omgeving. Ik denk dat Peter mij wil laten zien dat New Jersey er ook zo uit kan zien, en hij heeft gelijk, New Jersey is zowel een fietsersnachtmerrie als een fietsershemel.
Ook heb ik een van de avonden nog een etentje met Linda, een collega van Unilever. De eerste Nederlands sprekende persoon in levende lijve sinds een half jaar of zo. Ik begroet haar in het Engels en besef pas nadat ze zegt: ‘Het mag ook in het Nederlands hoor’ dat ik Engels sprak. Gelukkig verloopt de rest van de avond in soepel Nederlands en is gezellig bovendien. De foto is genomen door een serveerster met een lust voor symmetrie. Ik kon het niet laten de symmetrie achteraf wat te versterken.
Het is nu de avond voor Bas en Annemieke naar New York komen. Voor wie ze niet kent: Bas is een van mijn beste vrienden en Annemiek sinds twee dagen zijn vrouw. Inderdaad, ze zijn zojuist getrouwd en komen hier op huwelijksreis. Tot een paar dagen geleden wist Bas hier niets van. Een fantastische verrassing. Annemieke is een schat! Maar dat is nog niet alles. De dag daarna komt Laurens, mijn broer mij opzoeken. ALs ik morgen en overmorgen sta te wachten bij een van de gates van JFK airport om eerst Bas en Annemieke op te halen en de dag erna Laurens…dan weet ik zeker dat ik mij weer head of the list, top of the heap, king of the hill, cream of the crop en a number one voel. New York, New York. Good to see you again!
En jullie allemaal, tot snel!
Ingedeeld onder: __Nederlands
Route:
Blue Mountain Lake – Bar Harbor: 496 mijl
Bar Harbor – Boston: 280 mijl
Nadat ik Blue Mountain lake verlaten had stond my nog een laatste bergketen te wachten, The White Mountains, onderdeel van de Appelachen met als hoogtepunt de Kangamagus pas, een pas van bijna 3000 voet. Niet bijzonder hoog, maar met een stijgingspercentage van gemiddeld 8% en (vooral) de dag dat ik ‘m beklim een temperatuur van bijna 40 graden een bevredigende laatste uitdaging. Klik hier voor filmpje
Nadat ik de bergtop bereikt had zette mijn gedachten zich vast op het bereiken van Bar Harbor, het dorpje gelegen aan de rand van Acadia National Park dat het einde van The Northern Tier markeerde. De laaste berg betekende echter niet het begin van het vlakke land. Als een notendop op de op en neer deinende golven van een meer bij windkracht 5 diende de ene na de andere heuvel zich aan, maar uiteindelijk…natuurlijk… kwam Bar Harbor in zicht en vlak daarna het hostel waar ik zou overnachten.
Die avond voelde ik een sterke drang mijn aankomst te vieren Helaas vond ik niemand om dit samen met mij te doen. De overige gasten waren absoluut vriendelijk en beleefd, maar die avond paste ik helaas in niemands plan, een plan dat voor iedereen leek te bestaan uit opstaan voor de zon zijn eerste stralen op het zand werpt, talloze beklimmingen, wandelingen langs de kust, wandelingen door het bos, wandelingen over de rotsachtige heuveltoppen van het park, kortom de absoluut maximaal in te nemen dosis natuurextract voor een ziel met een huid als een uitgedroogde kamerplant. Die avond heb ik dus in stilte mijn biertje aan de waterkant gedronken. Gelukkig was daar de volgende avond Julien, een maffe fransman met wie ik mijn aankomst ‘post arrivee’ twee avonden achter elkaar gevierd heb. Zut alors! nogantoe, dat waren twee gezellige avonden. Zeker prachtige beklimmingen zoals die waar ik dit filmpje heb gemaakt.
Op dit moment ben ik in Boston en heb ik van de 700 mijl tussen Bar Harbor en New York alweer de helft afgelegd. Zou ik net begonnen zijn aan mijn reis dan zou ik zonder twijfel meer te zeggen hebben over deze 350 mijl dan, pfoe, ik ben blij ik ze heb afgelegd. Maar nu, nu ik bijna terug ben in New York is alles anders. Gistermiddag kwam ik aan in Boston en tijdens een avondwandeling voelde ik mij voor het eerst echt alleen. Het idee dat je volledig alleen kunt zijn in een stat met miljoenen inwoners heb ik altijd fascinerend gevonden, maar gisteren voelde ik het
voor het eerst. Het deed mij terugdenken aan hoeveel mensen mij niet hadden gevraagd of ik het niet eenzaam vond, zo alleen op de fiets. ‘Don’t you feel lonely?’ En ineens moest ik denken aan Roy Orbinson en een glimlach verschijnt op mijn gezicht. Die van melancholie. En ineens heb ik ongelofelijke trek in rode wijn. Ik draai mij om en terwijl ik terugloop naar het YMCA-gebouw waar ik die avond logeer ga ik langs bij de avondwinkel aan de overkant van de YMCA en koop een fles rode Merlot.
Nadat ik mijn kamer gevonden heb ontkurk ik de fles. Of, en dat versterkt het gevoel van melancholie, ik draai de blikken schroefdop van de hals. Omdat ik geen wijnglas bij me heb drink ik de wijn zo uit de fles. Erg Rock & Roll of Een Beetje Treurig en aangezien ik niet kan zingen en geen publiek te vermaken heb moet ik oppassen dat melancholie niet mijn hand vastpakt, zijn arm om mij heenslaat en zachtjes in mijn oor fluistert dat ik zijn goede vriend ‘de put’ eens zou moeten ontmoeten. Aardige kerel, beetje zwaar op de hand. Ergens halverwege de fles, wanneer het donker is geworden en de stilte van de stad is teruggekeerd komt Roy langzaam het podium opgeschuifeld en zet na enige aarzeling de eerste akkoorden van ‘Only the lonely’ in… – Only the lonely, dumm-dumm-dumm-dumm-dieyouwaah –
Het wordt tijd voor een ander liedje. Het wordt tijd voor de koperen blazers en Frank Sinatra. Het wordt tijd voor New York, New York.
Ingedeeld onder: __Nederlands
Route: Niagara Falls – Blue Mountain Lake: 295 mijl
De Niagara watervallen markeerden behalve een langverwachte mijlpaal ook het einde van het vlakke land waar mijn enige mede/tegenspeler ‘de wind‘ was. Maar nadat ik The Great Plains (Montana & North Dakota) verlaten had speelde de wind steeds minder een rol van betekenis. De omgeving tussen The Great Plains en de Niagara watervallen was min of meer zo vlak als The Plains zelf, maar in tegenstelling tot The Plains was de omgeving bezaaid met bomen waardoor de wind, hoewel nog steeds vaak in mijn gezicht waaiend (of fiets ik zo hard?) mijn snelheid nauwelijks meer beinvloedde.
Maar wanneer de natuur heeft besloten mij een tijdje met rust te laten om ergens anders de boel even flink in de war te schoppen (overstromingen in Texas, New York, Georgia en Illinois) zadel ik mijzelf (letterlijk) met een nieuwe uitdaging op… Boeken. Waar de doorsnee toerfietser er alles aan doet bepakking tot het absolute minimum te beperken begin ik stiekem, bijna ongemerkt een boekverzameling op te bouwen ver voorbij de grens van wat kan worden afgedaan als, ik lees nu eenmaal graag een paar boeken tegelijk. Ik stop bij elke bibliotheek en koop bijna zonder uitzondering een boek uit de collectie ‘verkoop’. Boekenwinkels hebben vanzelfsprekend een nog betere collectie en wanneer ik een boekenwinkel passeer voel ik mij een dwangmatige gokker in de buurt van een fruitautomaat. Ik koop de boeken niet om ze direct te lezen, ik koop ze om ze eerst maar eens te hebben…dit kon weleens de laatste keer zijn dat ik dit boek op deze wereld tegenkom…hmhm. Met als gevolg dat ik op de vraag wanneer een ultralight-reizende toerfietser vraagt hoeveel boeken ik dan bij me heb ik besluit dat het tijd is mijn obsessie onder ogen te zien en als de eerste stap naar therapeutisch herstel begin ik de boeken uit mijn tassen te toveren…één voor één, als een gochelaar die een bijna onophoudelijke stroom rode balletjes uit de palm van zijn hand tovert. Als ik klaar ben ligt er een stapel van achttien boeken op tafel. Achttien!
Wanneer je de Adirondacks binnenfietst en na de Adirondacks de Appelachen, kun je achttien boeken als bagage gebruiken als lucifers op de bodem van de oceaan en met pijn in mijn hart laat ik ongeveer de helft van de boeken achter in Niagara Falls en een derde stuur ik naar New York, naar Linda (een collega bij Unilever) die daar een paar maanden op secondment is. De overige boeken houd ik bij me, ik moet toch wat te lezen hebben niet?
The Adirondacks zijn prachtig! Denk Glacier National Park min de rotsen, maar met meer water. De tweede dag door Adirondack Park (het is nogal een groot park, ongeveer half zo groot als Nederland) besluit ik Blue Mountain te beklimmen. Blue Mountain ligt aan Blue Mountain Lake langs het dorpje met dezelfde naam en The Blue Mountain Lake Inn is de inn in het dorpje waar ik besluit mijn tent op te zetten (volg je het nog?). De inn heeft namelijk een grote tuin en het weer was mooi genoeg voor de tent. Daarbij kon ik gebruik maken van de douche en keuken en als klap op de vuurpijl hoef ik niets te betalen. Dit lijkt mij wat veel van het goede, maar zelfs na aandringen van mijn kant staat de eigenaar erop dat ik niets betaal. Het enige wat ik moet beloven is dat ik het naar mijn zin ga hebben en boy, wat heb ik het naar mijn zin gehad. Ik was eerst van plan niet meer dan een nacht te blijven en de dag te gebruiken om de berg te beklimmen, een frisse duik te nemen in het prachtige meer, waarna ik als afsluiting een biertje of twee zou drinken onder het lezen van ‘Reis om de wereld in 80 dagen’…
De beklimming, de duik en het eerste biertje lukken nog, maar als ik onderuit gezakt in een stoel op de patio bij dag 2 van het boek ben aangekomen raak ik in gesprek met de eigenaar van de Inn en vanaf dat moment val ik van het ene gesprek in de andere tot ik drie dagen later met een lichte kater de weg weer opzoek. Voor ik verder ga moet je weten dat Blue Mountain niet meer is dan twee parallel lopende straten met misschien vijftig huizen en de helft van deze huizen is in de handen van slechts twee families, de Booth’s en de Cunninghams. En iedereen spreekt hier dus iedereen op dagelijkse basis dus wanneer ik werd voorgesteld wist degene aan wie ik werd voorgesteld wie ik was op het moment dat ik werd voorgesteld. Binnen een paar uur liep ik hier dus rond of ik er al jaren kwam. Een van de ontmoetingen (de eerste met iemand van de Bootz’s) springt er echter uit.
Op weg naar een intiem jazzconcert in een appartement/ cultureel centrum grenzend aan de inn, besluit ik eerst even op het gras langs het meer te gaan zitten om te kijken hoe smaakvol de zon hier achter de groene heuvels aan de overkant van het meer zakt. Ik steek de weg over, zoek een mooi stukje gras op en kijk even rond of ik hier niet schaamteloos in iemands tuin ga zitten en terwijl ik rondkijk zie ik een uitgestoken hand naar mij toekomen met daarboven een metersdikke lach van iemand die direct daarna mijn hand schudt en vraagt of ik een biertje lust. En zonder mijn antwoord af te wachten biedt hij mij een stoel aan: “Ga zitten, ga zitten…ik ben Woody en dit is Michael, Michael Booth.” Michael Booth schudt mijn hand, vraagt hoe ik heet en begint te vertellen… Hij vertelt over hoe dit huis pas gebouwd is nadat het vorige huis is afgebrand, over hoe
het eerste hotel in de VS met electriciteit in elke kamer hier vlakbij gebouwd is, de generator gebouwd door niemand minder dan Thomas Edison. Dat het dorp voor een groot gedeelte gebouwd is uit de resten van het hotel nadat het een jaar of vijftig geleden in onbruik was geraakt en werd afgebroken. Over hoe hij samen met Woody in de wintermaanden in Florida woont aan de rand van de Everglades en daar al pootjebadend moet uitkijken voor alligators en slangen en ander bijtend wild. En hij vertelt…en hij vertelt. Wat ik hierbij moet zeggen is dat hij ongeveer om de anderhalve zin afwisselend, “It’s true” of “True story” of “I’m telling you” of “I’m not kidding you” toevoegt. Volkomen onnodig naar mijn idee omdat wat hij zegt niet bijzonder ongeloofwaardig is….
Totdat….totdat Woody vertelt dat ze ooit een 200 voet zeilboot bezaten, waarna Michael natuurlijk toevoegt als hij mij ziet twijfelen: “It’s true, we even used to own a bigger boat than that…but only briefly” en als hij de tekenen van ongeloof op mijn gezicht ziet groeien hieraan toevoegt “I’m not kidding you”. Hij kijkt Woody aan, ik kijk Woody aan en lees in Woody’s ogen iets van ongemak, gevolgd door een klein knikje, een knikje waarmee hij aangeeft dat Michael het volgende kan vertellen…”We used to be drug smugglers you know, marihuana…from Mexica to Florida”… En vanaf dat moment begrijp ik de “True story’s & I’m not kidding you’s”, de verhalen worden vanaf dat moment gekker en gekker, uiteindelijk eindigend via de gevangenis naar een klein huisje langs Blue Mountain Lake.
Als afsluiting die avond maken we een nachttocht met een prachtige lange houten boot langs Blue Mountain Lake, een van de hoogtepunten van mijn reis. Bier drinkend met twee mannen van rond de zeventig, verhalen vertellend waar Robinson Crusoe een puntje aan kan zuigen, ondertussen varend over een prachtig vlak inktzwart meer met het vage schijnsel van bergen aan de horizon. Alleen was dat niet het hoogtepunt. Het hoogtepunt was het moment dat Michael de boot probeert aan te meren. Een 30-voet boot, in het donker, om een andere boot, parallel aan de kade, in een ruimte van niet meer dan 35 voet. Tegelijktijd probeert Woody zijn hond vanonder een van de houten bankjes te krijgen. Ik zit en kijk en zie Michael een boot aanleggen zoals ik dat nog nooit gezien heb. En op het moment dat hij zonder iets te raken de boot aanlegt en de lijnen aan het pakken is om de boot aan de kade vast te maken springt de hond uit zichzelf via het bankje de kant op. De twee mannen kijken elkaar aan en zeggen tegelijk “That was perfection!”, waarop ik toevoeg “True story”. En de zonsondergang, die was die avond zo smaakvol als een cocktail ergens in een upscale hotel langs de kust van California met dezelfde naam.
Ingedeeld onder: __Nederlands
Route:
Chicago – Cleveland: 345 mijl
Cleveland – Niagara Falls: 214 mijl
Mijn dagen in Chicago, of Sjuh-kàh-gho, zoals de Chicagees (zoals ik denk dat bewoners uit Chicago worden genoemdfantastisch. Ik kon blijven logeren bij Jamee, de dochter van Judy & Vern, het echtpaar dat mij nadat ik mijn portomonnee had toegestopt, zodat ik de tijd die ik nodig had om geld over te laten komen vanuit Nederland kon overbruggen ) het uitspreken, waren zonder een comfortable scheur in het beton te hoeven opzoeken onder een van de vele bruggen die de USA rijk is.
Chicago is een prachtige stad, van wat ik ervan gezien heb in ieder geval. En laat ik meteen eerlijk zijn, ik weet dat ik de stad op haar bruisendst en vanaf haar mooiste kant heb gezien. Ik kwam binnen vanaf het noordoosten en het voldoet ongetwijfeld als ik zeg dat Oprah Winfrey daar haar bloemen laat verwelken in een uiterst zeldzame porseleinen vaas op een antiek kersenhouten bijzettafeltje achter een zojuist gewassen raam in een van de vijfhonderdvierendertig kamers die haar nederig optrekje rijk is. Ik fantaseer en overdrijf hier alsof ik het kasteeltje probeer te verkopen terwijl ik het niet eens gezien heb, maar het is waar dat ze woont in de wijk waar ik doorheen ben gefietst.
Het is ook waar dat Chicago het mooist is vanaf de waterkant, daar waar ik de meeste tijd op mijn fiets heb doorgebracht. De waterkant, of lakefront, besaat uit een brede strook groen waar doorheen fietspaden zich een baan slingeren van noord naar zuid. Doordat het pad zo breed is en daarbij van de gebouwen gescheiden is door een snelweg met een stuk of acht rijstroken is er meer dan voldoende afstand om in plaats van afzonderlijke gebouwen de skyline van Chicago te zien.
En als laastste is het waar dat ik Chicago op haar best heb gezien, tijdens een aangename dip in de doorgaans hete zomerdagen, een graad of 27 in plaats van 35+ (ja, relatief is een relatief begrip) en ook nog eens rond the 4th of July, ofwel onafhankelijkheidsdag, ofwel 5 mei in de VS, twee maanden later.Met pijn in mijn hart verliet ik de stad dan ook en vertrok richting mijn volgende grote stop, Niagara Falls. De weg tussen deze twee punten was niet bijzonder, hoewel sommige bewoners langs deze denkbeeldige lijn daar heel anders over denken. Tijdens een gesprek met iemand uit South Bend (ongeveer halverwege tussen Chicago en Niagara Falls) kwam ‘De GROTE Universiteit Notre Dame’ ter sprake. Alleen, ik had nog nooit van ‘De Grote Universiteit Notre Dame’ gehoord en toen ik de beste man dit vertelde viel hij bijna in zijn klapstoel achterover. Nooit gehoord van Notre Dame!!?? Hierop keek hij mij indringend aan en begon op zijn vingers te tellen… Je hebt Yale, je hebt Harvard…en je hebt Notre Dame… Dat is de orde van grootte waar we het hier over hebben.
En ik denk…Right…Hmhm. En South Bend is na New York en Chicago de grootste stat van de VS. Indeed! Dus, als een soort van wedervraag vraag ik hem waar Nederland ligt. Hij kijkt me aan met een lege blik… brengt vervolgens zijn hand naar zijn kin, plooit zijn wenkbrouwen in een frons en antwoord, halfzeker van zijn antwoord: ’That’s part of Denmark isn’t it?’ “Bijna goed, maar goed genoeg” antwoord ik. ‘We liggen eigenlijk een stukje lager, maar nauwelijks ver genoeg om als apart land mee te tellen.” Hierop leunt hij zelfvoldaan naar voren en graait een handvol Japanse Mix uit een plastic zak. Ik neem een slokje van mijn bier en denk “What is in the bubble, is best to stay in the bubble”.
Wanneer ik in Buffalo aankom en nog maar een mijl of tien van de watervallen verwijderd ben begint de omgeving steeds meer te lijken op het omgekeerde van wat ik mij had voorgesteld. In mijn hoofd had zich een verwachting vastgezet dat hoe dichter ik de watervallen zou naderen, hoe groener de omgeving zou worden. Maar zelfs nadat ik de watervallen tot minder dan vijf kilometer verwijderd ben domineren de kleuren grijs en bruin, de kleuren van rook, beton en verroest staal, de omgeving. Alsof ik door de havens van Rotterdam fiets, maar dan zonder water en de stroken groen die je in Rotterdam in ieder geval nog aantreft. (klik hier voor filmpje)
Maar als ik dan eenmaal aankom bij de watervallen is het overduidelijk waarom ze zo beroemd zijn. Het is misschien een speldenprik in een omgeving van een roestige speld, maar de speldenprik zelf is in ieder geval wonderschoon.
De Niagara Falls bestaan uit twee watervallen, The American Falls en de (canadese) Horseshoe Falls, zo genaamd vanwege de vorm van de waterval, die van een paardenhoef, of horse shoe zoals ze hier zeggen. De hoeveelheid water die van de American Falls naar beneden stort is maar een tiende van wat naar beneden komt denderen van canadese zijde (klik hier voor filmpje), maar omdat het water dat van de amerikaanse kant naar beneden stort op een esthetisch zeer verantwoorde hoop geordende rotsblokken te pletter slaat (klik hier voor filmpje) zijn ze, beide op verschillende manieren, zeer de moeite waard om van alle kanten te bekijken.
Na een foto of vijftig is het tijd voor de volgende grote stap richting het einde van mijn reis, de rit door de laatste bergketen, de Adirondacks, naar de oceaan waaraan de stad ligt waar ik mijn reis begonnen ben…The Atlantic! En dan begint het dus echt op te schieten… Ik kan New York al bijna ruiken.
Ingedeeld onder: __Nederlands
Route:
Moorhead – Itasca State Park 105 mijl
Itasca State Park – Plymouth (Minneapolis) 213 mijl
Plymouth – Winona 150 mijl
Winona – Reedsburg 115 mijl
Reedsburg – Cudahy (Deel 1 van de langste rit van mijn reis) 139 mijl
Cudahy – Chicago (Deel 2 van de langste rit van mijn reis) 76 mijl
Aan het begin van mijn reis dacht ik nauwelijks na over het maken van vooruitgang. Er waren nog zoveel kilometers te gaan en er was nog zoveel te zien dat het nauwelijks zin heeft erover na te denken. Maar terugkijken is gevaarlijk. Zelfs op het moment dat ik in Moorhead, Minnesota aankwam was het niet verstandig teveel na te denken over de kilometers die ik al had afgelegd. Helaas is dat precies wat gebeurde de dag dat ik in Moorhead aankwam. De paar dagen dat ik bij de Seljevolds (de familie die ik via warmshowers had ontmoet) logeerde, werd ik meegezogen in de tornado van familie en vriendenbezoeken en kreeg ik een lading bewondering over mij heengestort waar ik stil van werd. Ik begon na enkele glazen wijn zelf bewondering te krijgen voor wat ik inmiddels al bereikt had. Het gevolg hiervan was dat mijn motivatie de volgende morgen te vinden was in de laatste druppels ingedroogde wijn op de bodem van mijn glas.
De dag dat ik vertrok vertelde ik Karen (mama Seljevold) dat ik blij was weer op mijn fiets te springen. Maar als ze mij diep in de ogen had gekeken had ze gezien dat ik loog. Nu, twee weken later kan ik zeggen dat de afgelopen twee weken ondanks mijn initiele motivatieprobleem tot de leukste en mooiste twee van mijn reis behoorde. Wat is er gebeurd? Natuurlijk kan ik niets met zekerheid zeggen, Maar het lijkt er sterk op dat De Grote Motivator ergens hoog boven de wolken op mij neerkeek en tussen de slokjes koel Corona-bier en taco’s met guacemole-dip, besloot dat het op het moment dat ik Minnesota binnenreed tijd was voor een duwtje in mijn rug.
Ik stel mij het volgende voor. Vanuit zijn uiterst comfortabele chaise longue kijkt Albrecht, alias De Grote Motivator op mij neer, chips met dip en ijskoud bier naast een kom met schijfjes limoen binnen handbereik. Hij kijkt vanuit de wolken naar beneden en ziet mij meer pauzes nemen dan gebruikelijk en ziet ook dat de pauzes die ik neem langer zijn. Onbezorgd knabbelt hij verder van de taco’s. Wanneer de dip bijna op is besluit hij Sylvie, zijn persoonlijk assistent bij zich te roepen. “Sylvie”, begint hij nadat ze binnen is gekomen en zich op een stoel vlak naast de zijne heeft plaatsgenomen, “Ik zie Chris fietsen de laatste tijd en ik krijg sterk het gevoel dat hij in een dipje zit, een guacemole dipje.” Hij schiet in de lach om zijn eigen grap en drinkt zijn lippen terug in de plooi met een flinke slok van het frisse bier. “Wat denk jij?” Sylvie, als altijd de voorbeeldige assistent had mijn lichte worsteling al opgemerkt voordat De Zwevende Excellentie zijn oog op mij had laten vallen en had, voorbeeldig als ze is al enkele ideeen bedacht om mijn enthousiasme weer terug te doen keren. Maar omdat ze Albrecht niet voor de voeten wil stoten volgt ze zijn blik door de wolken en stemt na enkele minuten hardop in met zijn oordeel. “Ik denk dat u gelijk heeft.”
Met een grote slok leegt Albrecht zijn vijfde fles van vandaag en zet hem met een harde tik op de houten tafel. “Dan is de volgende vraag of ik daar wat aan ga doen of niet. Hij heeft op dit moment meer dan 12.000 kilometer afgelegd dus ik ben geneigd hem een duwtje in de rug te geven. Wat dacht je van enkele zeer goede douches en zacht gras voor de komende tien kampeergelegenheden?” Sylvie fronst haar wenkbrouwen en bladert wat door mijn rapport. “Ik weet het niet, natuurlijk is een kampeerterrein met een goede douche en ondergrond beter dan een met een douche waar het water op wonderbaarlijke wijze niet op het lichaam te richten is en een ondergrond van iets dat alleen kan worden vergeleken met versteende zee-egels, maar volgens mij heeft
Chris in het algemeen behoefte aan een kampeervrije periode. Misschien kunnen we elke dag meer mensen zijn pad laten kruisen, zo is de kans groter dat hij wordt uitgenodigd en uiteindelijk de nacht kan doorbrengen in een echt bed.” “Hm, meer mensen ontmoeten dus. Ik zal kijken wat ik kan doen.” Een korte stilte volgt. Sylvie weet niet precies waarom, maar tijdens zijn rit heeft Chris onbewust haar hart gestolen en ze is de eerste die de stilte verbreekt. “En we zouden Chris natuurlijk van zijn route kunnen laten afwijken en hem over een prachtige fietspaden gemaakt van voormalige treinroutes richting Chicago sturen, dat zal hij vast leuk vinden” Hierop kijkt Albrecht haar onderzoekend aan en vraagt na een volgende korte stilte of ik niet al genoeg verwend wordt met deze speciale aandacht? Sylvie durft hem niet aan te kijken en antwoord zijn ogen ontwijkend “Nou eh, ik bedoel, de paden liggen er toch en het zou de eerst keer zijn dat hij de kans krijgt over deze unieke fietspaden te rijden.”
Zonder het einde van deze conversatie af te wachten kan ik zeggen dat Sylvie haar zin heeft gekregen. Ik in een periode van twee weken nog niet zoveel mensen heb ontmoet. De afgelopen twee weken heb ik precies twee dagen mijn tent opgezet en twee keer een motel opgezocht. Een van deze motelovernachtingen was echter een cadeautje van de familie Dienslake (Peter werkt voor Unilever in de VS, hoe toevallig en het leek hen een goed idee de spaarpunten voor de vele hotelovernachtingen van Peter te gebruiken voor een gratis overnachting voor een andere medewerker van Unilever, een besluit waar ik het niet anders dan volledig mee eens kan zijn). Verder heb ik Itasca State Park bezocht, dit is het park waar de Mississippi rivier begint als een beekje van niet meer dan vier meter breed (zie de foto hiernaast). En de fietspaden? Rails-to-trails, het initiatief om van in onbruik
geraakte railroutes fietspaden te maken alleen toegankelijk voor wandelaars en fietsers en dus ver weg van alles dat ronkt en bonkt, dat initiatief is naar mijn idee een Nobelprijs waard, de Nobelprijs voor de vrede in het hoofd van Chris. Behalve dat de paden vaak ver verwijderd zijn van de autowegen slingeren ze ook door de meest prachtige natuur. En als klap op de vuurpijl ben ik zelfs voor het eerst door stikdonkere tunnels gefietst!
Als laatste wil ik nog zeggen dat hoewel Sylvie Albrecht volledig ingepakt heeft met haar ideeen voor mijn motivatie, ik vermoed dat Albrecht, gefrustreerd met zijn zwakte voor Sylvie mij in ieder geval gestreiterd heeft met extreem weer (zie de filmpjes). Maar gelukkig had ik mijn motivatie alweer gevonden en ik nam het weer op de koop toe. Mijn rit naar Chicago was zelfs gemarkeerd met een voor mij unieke prestatie. Een rit van meer dan 24 uur non stop over een lengte van meer dan 320 kilometer. Ik weet zelf niet goed waar ik de motivatie hiervoor opgedaan heb, maar misschien had ik het einde van het gesprek tussen Sylvie en Albrecht moeten afwachten voor een antwoord hierop. Maar ongetwijfeld kan ik ook hiervoor Sylvie bedanken. Dus bij deze: Sylvie, bedankt.
Voor de lange rit
Tijdens de lange rit
Helaas is er geen ‘Na de lange rit’. Aan het einde werd ik opgevangen door Jamee, de dochter van het echtpaar dat mij uit de brand heeft geholpen na het verlies van mijn portemonnee in Alabama en logeeradres in Chicago en op dat moment was ik niet meer in staat tot helder denken en was alleen maar blij dat ik Chicago op tijd bereikt had.
Ingedeeld onder: __Nederlands
East Glacier National Park - Devils Lake 732 mijl
Devils Lake - Jamestown 99 mijl
Jamestown – Fargo 98 mijl
Ik ben gisteren in Fargo, North Dakota aangekomen en ik zal eerlijk bekennen, de rit van Glacier National Park door The Great Plains van Montana en North Dakota zal niet in mijn geheugen gegrift staan als het meest gevarieerde en zintuigprikkelende deel van mijn reis.
Zoals ik al schreef aan het einde van mijn vorige verslag zijn de Great Plains vooral plat. Het uitzicht vertoonde een grote gelijkenis met het polderlandschap van Nederland. Maar waar je wanneer je door de polder fietst weet dat als je stevig doortrapt aan het einde van de dag de polder uitgefietst bent, was ik hier beland in mijn eigen versie van Groundhog Day. Elke dag weefde naadloos in een identieke volgende dag. En dat drie weken lang. Totaan Devils Lake een plaatsje twee lange dagen verwijderd van Fargo bewoog de route zich over Highway 2, een lange bijna kaarsrechte weg door gras en graan. De meest spannende verandering tijdens de lange dagen was een bocht naar links of rechts. Het is dan ook niet voor niets dat de telefoonpaal in North Dakota wordt beschouwd als The State Tree.
Op een gegeven moment merk ik dat ik de wagons aan het tellen ben van de vele bijna onmogelijk lange treinen die heen en weer rijden tussen New York en Seattle, sommige meer dan honderd wagonladingen lang. En het moment dat ik besef dat ik het kaboem-kaboem geluid van wielen die de naden tussen aansluitende rails passeren beschouw als een welkome afwisseling van het monotone geluid van de wind, weet ik dat ik hier nooit, maar dan ook nooit zou willen wonen. Sterker nog, ik kan niet begrijpen dat de eerste familie die van west naar oost trokken op het moment dat ze hier aankwamen dachten: “Dit lijkt me een geschikte plek voor een nederzetting, wat jij vrouw?” Maar ik vind het nog onbegrijpelijker dat de volgende passerende groepen mensen het volledig met deze familie eens was en besloten een huis te bouwen recht naast dat van de eerste familie.
Maar de dag nadat ik in Fargo aangekomen ben heb ik afgesproken met Terry. Ik heb een paar dagen in het huis van Terry and Heather (zijn vrouw) geslapen nadat ik in Phoenix was aangekomen in afwachting van mijn afspraak met de consul van Nederland en nog geen idee had van hoe eenvoudig het zou blijken een noodpaspoort aan te vragen. Terry komt oorspronkelijk uit Rugby, North Dakota en hij is zo verzot op dit landschap dat hij elke lente een paar weken naar Fargo trekt om graan te oogsten. Wanneer ik hem in alle eerlijkheid vertel wat ik vind van het landschap begint hij te lachen en zegt dat hij eerlijk gezegd niet verwacht had dat het mij bijzonder zou bevallen. “You like the city don’t you?”, en daarmee lijkt alles gezegd.
Nou ja, bijna alles. Hij is er zeker van dat ik positiever over dit gedeelte van mijn reis zou zijn geweest wanneer de wind vaker uit het westen zou hebben gewaaid, zoals het meestal doet. En inderdaad, ik moet hem gelijk geven dat de wind elk uitzicht minstens dubbel zo aangenaam maakt wanneer je hem in de rug hebt. De dagen dat de wind in mijn rug waaide waren werkelijke traktaties. De lucht lijkt op zulke dagen blauwer, de groene grasheuvels minder monotoon en ineens hoor ik overal om mij heen de vogels tsjirpen en voel ik mij op de set van The Sound of Music. Ik heb gemerkt dat ik gedurende die dagen hardop in mijzelf begin te praten en commentaar geef op hoe fantastisch het is met grote snelheid door dit landschap te vliegen. Om het gevoel te vermijden dat ik, naar niemand in het bijzonder in de lucht babbelend, langzaam een beetje koekoek begin te worden pak ik op zulke momenten mijn camera en richt hetzelfde commentaar op de lens. Zo verander ik op slag van een halfslimme zotte toerist in een inzichtvolle journalist en stel mijzelf zo gerust tot de volgende aanval zich aandient.
Terugkijkend op mijn reis tot dusver kan ik zeggen dat de wind niet meer dan tien dagen in mijn rug gewaaid heeft, en dan schat ik optimistisch. Maar hoewel tijdens mijn reis niet alles koek en ei is, besef ik dat de mooie momenten mooier zijn wanneer ik kan terugkijken op dagen waarop ik mij afvraag waarom ik deze reis ook weer begonnen was. Want op de dagen dat alles op zijn plaats valt heb ik het gevoel dat ik het verdiend heb.
Ook deze keer heb ik bewegende beelden toegevoegd van dit zinderende gedeelte van mijn reis.
Ingedeeld onder: __Nederlands
Whitefish – East Glacier Park 81 mijl
Op weg naar Glacier National Park, het park dat het meest noordelijke deel van de Rocky Mountains in de Verenigde Staten beslaat, moet ik terugdenken aan mijn verblijf in het Hostel in Los Angeles. Tijdens de paar dagen dat ik in het hostel sliep waarschuwde een andere gast, een kalende, grijzende lange man met voorheen veel meer en ongetwijfeld bruiner haar, mij dat ik als ik van plan was de Rockies te kruisen in Montana ik bovenal mijn winterjas gereed zou moeten houden. En elke keer dat onze paden elkaar kruisten, in de gang, in de keuken, in de eetzaal en zelfs een keer tijdens een wandeling over de Walk Of Fame deelden we maar twee woorden met elkaar: ‘winter coat’. Wanneer hij zei ‘winter coat’, dan lachte ik beleefd terug en herhaalde bevestigend dezelfde woorden.
Wanneer ik bij de ingang van het park aankom is het een graad of vijfentwintig en schijnt de zon precies als in LA. Mijn winterjas zit ergens onderin een van mijn fietstassen en als het weer niet ineens op wonderlijke wijze van de toppen van de rotsen afdaalt naar waar ik mij bevind blijft mijn jas keurig opgerold waar hij is.
Het kampeerterrein ligt aan het prachtige Lake McDonald, of nauwkeuriger, de omgeving grenzend aan het noorden van het meer zorgt ervoor dat het meer prachtig is. Tienduizend voet hoge grijze rotsen met besneeuwde toppen en daar doorheen een weg, omhoog kronkelend naar bijna zeven duizend voet (ongeveer tweeenhalve kilometer) met een naar de beste amerikaanse tradities passende, inspirerende en licht mytieke naam ‘The Road To The Sun’.
Helaas gaat de weg doorgaans pas open in Juni en daarbij is de weg vorig jaar November zo beschadigd door overstromingen en lawines dat sommige stukken zelfs helemaal zijn weggeslagen, met als gevolg dat de weg dit jaar pas veel later in het jaar zal opengaan. Met pech in mijn hoofd zoek ik een plekje langs het meer op om daar van het prachtige uitzicht te genieten. Maar later op de dag verteld een van de dienstdoende rangers mij wanneer ik het visitor center bezoek dat de weg totaan de Weeping Wall, een van de laatste bochten totaan de lange weg naar de top bereikbaar is voor fietsers. En nadat ik een filmpje heb gemaakt van hoe ik The road to the sun dus niet ga befietsen krijg ik een speldje van de ranger omdat ik het geprobeerd heb. Maar op dat moment heb ik het nog helemaal niet geprobeerd, en hoewel ik weet dat ik de top niet zou kunnen bereiken besluit ik op dat moment in ieder geval het stuk te fietsen tot waar het niet meer kan, tot waar het niet meer mag. Een van mijn beste beslissingen tot nu toe kan ik met zekerheid zeggen.
Youtube!: Omdat ik deze keer achter een computer zit met de tijd aan mijn zeide heb ik geprobeerd uit te vinden hoe Youtube werkt en of ik de filmpjes die de voorgaande paragraaf illustreren kan uploaden. Zoals verwacht bleek dit een eitje (hoe anders kan de site zo populair geworden zijn) en dus kan ik jullie een primeur op mijn site aanbieden. Bewegende beelden van Chris in de USA…
1. Aan de oever van Lake McDonald
3. The road to the sun (aan het einde weet ik niet meer wat ik wil zeggen en denk dat het filmpje hiermee verpest is, maar nadat ik het terugkijk valt dat wel mee ;-))
Op het moment dat ik foto’s aan het maken ben van het werkelijk waazinnige uitzicht zie ik meteen dat de gemaakte foto’s geen recht zullen doen aan wat ik met mijn eigen ogen zie. Foto’s en filmpjes kunnen nooit de grootsheid en diepte weergeven die van het uitzicht een belevenis maken in plaats van een tweedimensionaal rechthoekig object, hoe nauwkeurig de objectieve vertaling van de kleuren en lijnen ook. Ik besef dat foto’s niet meer zijn dan een machteloze poging de indrukken weer te geven wanneer woorden te kort schieten. Maar omdat ik geen betere middelen bezit blijf ik foto’s maken, veel bijna identieke foto’s blijkt wanneer ik ze in mijn tent terugbekijk.
De volgende ochtend begin ik aan mijn rit naar Maria’s Pass, de pas aan de zuidkant van het park. Met 5200 voet is deze een stuk minder hoog dan Logan’s Pass, maar is ook een stuk minder gedenkwaardig. Totaan vlak na het bereiken van de pas. Op dat moment heb ik namelijk de twee bergketens (Cascades & Rocky Mountains) officieel achter mij gelaten en daarmee het moeilijkste gedeelte van mijn reis. En meteen nadat ik de pas overgestoken ben beginnen The Great Plains. En alsjeblieft, laat er geen twijfel bestaan over waarom dit gedeelte van de Verenigde Staten The Great Plains heet, zo lijkt het landschap te zeggen, want het is hier
meteen zo plat dat ik zo ongeveer aan het begin van de dag kan kijken waar ik aan het einde van de dag mijn tentje op ga zetten. Maar daarover de volgende keer meer.
Ingedeeld onder: __Nederlands
Route:
Seattle – Spokane 279 mijl
Diamond Lake 39 mijl
D’ Lake – Bonners Ferry 70 mijl
Bonners Ferry – Whitefish 154 mijl
Voor ik begin aan mijn verslag van mijn eerste paar dagen langs de canadese grens wil ik, hoewel jullie mij natuurlijk op mijn woord geloofden, graag het bewijs laten zien dat ik op een tall bike heb gefietst. Het fietsen zelf is overigens niet moeilijker dan het fietsen op een gewone fiets…de fiets zonder hulp succesvol beklimmen is het moeilijke gedeelte, maar een foto van hoe ik de fiets beklim zorgt niet voor het halve effect van een foto die laat zien dat ik de fiets beklommen heb.
Hoewel Seattle waar het regenachtige dagen betreft net zo goed in Schotland zou kunnen liggen, schijnt de zon de ochtend dat ik uit de stad wegfiets. Waterig, dat wel, alsof ze zelf niet echt overtuigd is of ze hier mag schijnen of niet. Maar nadat ik haar heb verteld dat het oke is gaat ze niet meer weg tot het donker wordt. En daarbovenop blijft ze zich nog wat langer boven de horizon hangen dan gebruikelijk, of…het kan ook zijn dat de klok bij American’s First National Bank een uur voorloopt (dit zet mij weer aan het denken of de zelfverkozen titel van de bank wel te vertrouwen is). Verder waait die dag de wind in mijn rug en ligt er een fietspad van het centrum van de stad tot ver daarbuiten. Al met al ideale omstandigheden om eindelijk aan mijn terugreis te beginnen.
Uit Seattle wegfietsen betekent tegelijk de bergen infietsen. De eerste bergpas doemt de tweede dag al op, de Snoqualmy Pass door de Northern Cascades. Deze pas blijkt een eitje. Hoewel de pas een kilometer hoog is, is het stijgingspercentage rond de 4% (ik weet niet hoe ik 4% kan illustreren aangezien we in Nederland nog getijdewerking hebben voorbij Breda, een stijgingspercentage lager dan het percentage Nederlanders met blauw haar) en dat met de wind in mijn rug. Ik heb in de kust een goede persoonlijke trainer gevonden, aangezien hij mij tijdens mijn rit naar het noorden talloze heuvels met een hoger stijgingspercentage voor de voeten heeft gegooid, terwijl de wind constant in mijn gezicht schreeuwde dat ik ‘EEN DOOIE NIETSNUT BEN!, EEN SLOME ZAK STRONT!EEN ZACHTGEKOOKT EI TE LUI OM UIT DE KONT VAN EEN KIP TE KRUIPEN!’, met als gevolg dat ik nu naar boven zoemde. Of…als ik genoeg te drinken zou hebben gehad in ieder geval.
De overgang van de ene dag in een stad waar je op elke halve hoek van de straat drinken kan kopen naar de volgende dag in een omgeving waar je elke tienmiljoenste bocht een teken van net genoeg leven voor een halfpompsbenzinestation tegenkomt, was voor mij te abrupt om voorzorgsmaatregelen te treffen. Het gevolg was dat ik mij de laatste paar honderd meter omhoog moest worstelen met het gevoel alsof ik de dag ervoor een flink aantal glazen whisky on the rocks had gedronken. Whisky on the rocks, hoe treffend, maar de spieren in mijn uitgedroogde lippen hadden geen puf meer naar de hoeken van mijn mond te trekken.
De dagen erna schonken mij elke dag een ander en even prachtig uitzicht (deze keer gezien zonder uitdrogingsverschijnselen). Rivierbeddingen met aan weerszijden tientallenmeters hoge rotswanden, rollende heuvels met afwisselend aan de ene kant graanvelden afgebroken door steile rotsheuvels en aan de andere kant gras zo ver je kan zien, wilde prachtig groene rivieren, en de dag dat ik dit schrijf conifeerbossen tegen de achtergrond van de beneeuwde toppen van de Rocky Mountains. Ja, het leven van de eenzame fietser die krom over het stuur gebogen zichzelf richting New York een weg baant is zwaar.
Over een dag of drie kom ik aan bij Glacier National Park, volgens velen samen met Yellow Stone het mooiste park in de VS. Daar krijg ik de eerste kans grizzlyberen en wolven te zien. Nu weet ik niet zeker of dat een geruststellend vooruitzicht is, maar het schijnt dat deze dieren een verfijnde smaak hebben waar het prachtige natuur betreft en alleen bereid zijn hun gruwelijke gele gebit aan toeristen te laten zien tegen de dramatische achtergrond van een omgeving die minstens zo wild als hun tanden is. Ik ben benieuwd, maar niet zo benieuwd dat ik mijn pindakaas in mijn tent en vlak naast mijn hoofd ga bewaren. Ik heb geen behoefte aan een aan mij gewijd artikel in The Montana Observer, over hoe twee beren de tent van een onzorgvuldige toerist zijn binnengedrongen op zoek naar eten, met naast het artikel een foto die laat zien hoe zij zijn geslaagd in hun opzet…gezellig broodjes pindakaas smerend tegen een ondergaande zon.
Ingedeeld onder: __Nederlands
Route:
Redwood Forest – Crescent city: 130 mijl
Crescent city – Astoria: 300 mijl
Astoria – Longview: 50 mijl
Longview – Bremerton: 120 mijl
Bremerton – Seattle: 18 mijl
Tijdens mijn laatste dagen langs de kust werden de lange gladde kustlijnen van goudgeel zand steeds zeldzamer en begonnen meer en meer de ruige kenmerken te vertonen van een uitgerolde binnenkant van een vulkaan (alsof Bob Ross na het schilderen van een met grijze rotsen bedekte kustlijn een paar peuken had uitgdrukt waar de rotsen het aquamarijnblauwe water raken) begon ik voor het eerst na te denken over hoe mijn reis was verlopen de afgelopen maanden. Totaan nu had ik bewust en onbewust vermeden mijn gedachten te laten afdwalen naar de herinneringen van mijn reis. Voor een belangrijk gedeelte omdat ik te druk bezig was mijn reis te beleven, maar vooral omdat ik nog niet wil nadenken over de afstand
die ik imiddels heb afgelegd en de hoeveelheid aan indrukken die ik tot nu toe heb opgedaan. Beiden hebben namelijk denk ik al een indrukwekkend niveau bereikt en ik zou misschien moeite hebben mezelf te motiveren voor alle kilometers die ik nog moet fietsen. Ik zou mezelf ongetijfeld af gaan vragen hoe meer bijzonder het nog zou kunnen worden.
Maar tijdens een van die dagen langs de kust van Oregon werd ik ’s ochtends wakker en wist dat ik die dag niet zou gaan fietsen. Ik werd namelijk wakker van de wind die mijn tent heen en weer deed schudden alsof het een pak melk was. Het state park waar ik die ochtend wakker werd was minimaal twintig mijl van het kleinste drorp verwijderd. Luisterend naar de wind en regen (de beste vriend van wind hier in ‘The Pacific North West’) besefte ik dat er deze dag niet veel anders te doen zou zijn dan het maken van foto’s van het weer, een lange stevige wandeling voor het opzoeken van de mooiste plaatsen voor deze foto’s, een lange warme douche om weer op temperatuur te komen na het maken van deze foto’s en…enkele uren introspectieve contemplatie over de beleving van mijn reis tot nu toe. Ik had toevallig net mijn laatste boek uit en dus niets te lezen, dus het was na de zeer verfrissende wandeling of luisteren naar het geluid van wind en regen tegen mijn tent of een tijdje grazen door mijn herinneringen. Alles wat ik mij daar nu nog van herinner is het machtige besef dat ik deze krankzinnige reis nu echt aan het maken ben, versterkt door de foto’s van de laatste paar weken op de geheugenkaart in mijn camera (elke dag anders en de een nog mooier dan de ander).
Astoria, gelegen in het uiterste noordwesten van Oregon markeerde het einde van mijn reis langs de Stille Oceaan en fietsend langs de Columbia River begon ik mij inderdaad af te vragen hoeveel mooier mijn reis, nu ik de oceaan had verlaten, nog zou kunnen worden. Bovenop het prachtige uitzicht gleden de herinngering aan mijn reis langs dit gedeelte van de VS ook nog af naar sociaal hoogtepunt, ongeveer twee weken voor ik in Astoria aankwam. Bij aankomst op de hiker/ biker site (het speciaal voor fietsers en wandelaars ingerichte kampeergedeelte aanwezig in alle state parks langs de kust) in Honeyman State Park, vlakbij Florence werd ik begroet door Rachel die een maaltijd aan het klaarmaken was voor haar en Andrew, haar vriend. Na een korte kennismaking bleek dat onze persoonlijkheden naadloos op elkaar aansloten. Gelukkig sloten ook hun reis in ieder geval voor de komende paar dagen aan bij die van mij en dit werd dus de eerste keer dat ik de dag niet alleen fietsend door zou brengen. Om dit te vieren besloten we dezelfde avond dat we elkaar ontmoetten een rustdag in te lassen en de fietsen dus niet te gebruiken.Het was prachtig weer en omdat het park voor een groot gedeelte gelegen was in de duinen hebben we het grootste gedeelte van de dag in het zand doorgebracht en zelfs een duik genomen in het behoorlijk koude water. Daarna hebben we in Florence een paar flessen wijn gekocht en tot laat in de nacht bij een heerlijk knappend kampvuur reisverhalen uitgewisseld. En geloof me, er is geen betere setting mogelijk voor het uitwisselen van reisverhalen dan bij een kampvuur en wijn drinkend, zo uit de fles.
Fietsend richting Washington bekroop mij dus het gevoel dat ik misschien wel het mooiste gedeelte van mijn reis achter de rug had. Wat ik mij echter vergat af te vragen is hoeveel gekker het zou kunnen worden. Dit was namelijk een niet zo heel relevante vraag sinds ik Austin had verlaten. Nu ik echter over een paar dagen oostwaarts richting New York zal gaan fietsen is dit een vraag waarop het antwoord ‘niet waarschijnlijk nog gekker dan de paar dagen in Seattle’ zal zijn. De aankomst in Seattle per veerboot deed mij terugdenken aan mijn vertrek vanuit New York, toen ik de stad per veerboot verliet. Het zien van de skyline van beide steden vanaf het water zal ongetwijfeld een van de mooiste uitzichten vormen van mijn reis. Als ik ooit geld en tijd genoeg heb dan koop ik een tweemaster met een stevig anker, zoek een mooie plek ongeveer een mijl uit de kust ergens halverwege de skyline op, laat mijn anker zakken, hang mijn hangmat op tussen beide masten en ga eens even lekker 586 uur non-stop genieten van mijn uitzicht. Het idee dat ik naar een fantastisch ingewikkelde en prachtige mierenhoop aan het kijken ben, terwijl ik niet anders hoor dan het zachte geklots van de golfjes tegen het schip zal vermoed ik een ‘unexpected processing failure’ van mijn hersens tot gevolg hebben en ik schat dat het resetten van mijn processor ongeveer 586 uur zal duren -en met een glimlach op mijn gezicht zal ik deze tijd in mijn hangmat doorbrengen-
In de huidige werkelijkheid echter meerde het schip echter veel te snel tegen de stad Seattle aan en na enkele flinke heuvels (San Fransisco is beroemd om zijn heuvels, maar Seattle doet er niet voor onder) kwam ik aan bij Aaron’s Bike Shop. De eigenaar is niet geheel verrassend Aaron, een stevige man met naar eigen zeggen Iers bloed en bijgevolg een gezonde lust voor bier. Mijn slaapplaats voor de komende dagen was het appartement boven de winkel. De volgende dag neemt hij de fiets onderhanden. In mijn mailtje naar hem had ik aangegeven dat mijn fiets ‘in major need of surgery’ was, vooral de velg baarde mij zorgen (deze was twee dagen ervoor scheuren gaan vertonen). Nadat deze was opgeknapt was het tijd deel te nemen aan de vaste ‘Thursday night ride’, een rit door de stad met een
vaste groep fietsers. Ik wist niet echt wat ik moest verwachten, maar terwijl wij bij de startplaats aankomen komt een gozer op een fiets aanfietsen, twee keer zo hoog als een gewone fiets, geheel terecht genaamd ‘tall bike’. Deze fiets blijkt een goede indicatie van de groep als geheel en goed samen te vatten met het woord maf. Tien minuten na aankomst geeft iemand het startsignaal en binnen no-time vliegen we werkelijk door de stad. Tjeemig, wat ben ik al die tijd toch braaf geweest schiet mij steeds door mijn hoofd en wat kan fietsen toch moeilijk zijn besef ik als ik een paar uur later met een paar biertjes achter mijn kiezen zelf op de tall bike door de straten van Seattle rijd.
De volgende avond is het tijd voor een nieuw feestje, ergens in het centrum van Seattle bovenop een heuvel op een achterafstraat met als belangrijkste items diverse bureaustoelen…Welcome to the office-chair downhill race 2007! De rit ernaar toe ongetwijfeld even spannend als de race waarvan we uiteindelijk net de laatste downhill ronde te zien zouden krijgen. De rit ernaar toe was namelijk in de bak van de bakfiets die Aaron een half jaar geleden uit Nederland had geimporteerd. Nu is een bakfiets op zich niet spannend, maar wanneer je bent overgeleverd aan een berijder als Aaron krijg ik de neiging af en toe mijn ogen te sluiten. We konden er natuurlijk ook omheen fietsen, maar de steilste heuvel- af van mijn reis, ondertussen extra gas bijgevend met de onlangs geinstalleerde elektromotor is werkelijk waanzinnig! Nu had ik naar mijn echt geen conservatieve remstijl, ondersteund door het feit dat ik alleen de remblokjes van mijn achterrem een keer heb vervangen terwijl ik inmiddels meer dan genoeg heuvels heb gezien en meer dan voldoende gewicht meesjouw. Maar ik ben de afgelopen dagen beginnen te begrijpen dat er een groot gat heerst tussen ‘niet conservatief’ en simpelweg ‘krankzinnig’. Ik kan woorden proberen te vinden om deze opmerking verder te ondersteunen, maar het filmpje dat mij door een medewerker van Aaron onder de aandacht is gebracht zegt denk ik genoeg en zorgt ook voor een betere afsluiting dan ik met woorden kan bedenken. Eh, o ja, houd overigens je hart vast… [klik hier - het downloaden kan even duren}
Ingedeeld onder: __Nederlands
De tweede gedachte die mijn hoofd indwarrelt, nadat ik net wakker ben geworden is dat ik vandaag, in ieder geval op het gebied van natuur, het hoogtepunt van mijn reis ga meemaken. Het overall hoogtepunt, gemarkeerd tijdens mijn aankomst en eerste paar dagen in New York kan denk alleen worden overtroffen door mijn tweede bezoek aan de stad.
Maar hoewel ik weet hoe bijzonder deze dag gaat worden blijf ik nog even liggen. Hoe lekker het is om in een warm bed wakker te worden is namelijk bijna elke ochtend de eerste gedachte in mijn hoofd en de fijne warmte in de cocon van mijn slaapzak geeft mij elke ochtend weer een gevoel dat ik maar moeilijk kan verwerpen.
Uiteindelijk winnen mijn gezonde verstand (ik kan toch niet de hele dag in mijn nest blijven liggen) en enthousiasme (ik wil dit unieke stuk natuur zo snel mogelijk zien) het van het fijne gevoel en kruip ik mijn slaapzak uit.
Vandaag ga ik de Avenue of the Giants befietsen. De reuzen zijn in dit geval de grootste bomen ter wereld (hoo-ha!) en de avenue is een 32 mijl lange galerij van deze giganten. Maar voor ik bij mijn bestemming aankom moet ik eerst nog een kilometer of dertig naar het bos toefietsen. De schoonheid van het landschap waar ik doorheen fiets dringt nauwelijks tot mij door. Mijn gedachten dwalen constant af naar de galerij der reuzen, een museum waar je doorheen kunt fietsen (sommigen van deze reuzen zijn meer dan duizend jaar oud).
Op het moment dat ik de avenue betreedt probeer ik woorden te vinden voor de onwaarschijnlijke grootsheid van de bomen, maar ik kan geen passende vergelijking bedenken…tot ik langs een put aan de rand van de weg rijd en vanuit de put de stalen echo van kikkergekwaak hoor… Onmiddelijk zie ik mezelf als kind een propje papier in de mond van Hollebollegijs gooien, gevolgd door de stalen echo van een stem die zegt ‘dankjewel’. Het is die vergelijkbare stalen echo die mijn gedachten doet afdwalen naar het sprookjesbos in de Efteling.
Nu weet ik dat dit niet de eerste keer is dat ik de analogie van de Efteling gebruik en ik heb een tijdje over de reden nagedacht waarom ik steeds weer deze vergelijking maak. Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat ik als kind de sprookjes uit de Efteling misschien wel honderd keer heb gehoord op de verschillende ‘Sprookjes van de Efteling’-elpee’s. Als kind paste mijn fantasie tijdens het luisteren van de sprookjes haarfijn op alles wat ik zag wanneer ik door het ‘echte’ sprookjesbos in de Efteling liep. Dit maakte de sprookjes natuurlijk nog mooier. Ik had ze niet alleen gehoord, maar ze nu ook met eigen ogen gezien.
Een paar jaar later bezocht ik het sprookjesbos weer en zag voor het eerst dat alles overduidelijk nep was. Teleurgesteld besefte ik dat er een leeftijdsgrens aan het geloof in sprookjes is verbonden. Eddie Vedder (zanger van Pearl Jam) beschrijft het denk beter dan ik in het nummer ‘I’m open’, hij schrijft: ‘When I was six I believed that the moon overhead followed me, by nine I deciphered the illusion, trading magic for fact, no tradebacks’.
En dat is precies waar de teleurstelling vandaan kwam. Het besef dat ook in het sprookjesbos dezelfde wetten gelden als daarbuiten. Het vliegende tapijt vliegt niet, rozen groeien niet met de magische snelheid van een paar minuten, kikkers spelen geen trompet… En hoe je als volwassene ook wilt geloven in de sprookjes, nadat de sprookjes van hun magie ontdaan zijn is er geen weg terug.
De enige manier waarop ik terug zou kunnen keren naar de wereld van sprookjes was door in de echte wereld op zoek te gaan naar plaatsen zo mooi en onwerkelijk dat het gevoel dat ik bij het beluisteren van de sprookjes kreeg terug zou komen. En dat is precies wat gebeurde op het moment dat ik het kikkergewkaak uit de put hoorde komen.
Een paar mijl verder besefte ik dat dit bos is wat de Efteling probeert te na te maken. Gelukkig besefte de amerikaanse overheid dit bijna honderd jaar geleden ook, met als gevolg dat dit gebied gespaard is gebleven van de hak en zaag lust die hier rond die tijd hevig woedde. Uiteindelijk was het slechts een kwestie van tijd voor de Amerikaanse overheid (gelukkig) een weg door het gebied liet aanleggen en Humboldt State Park een attractie werd. Maar waar de Efteling waanzinnige attracties nodig heeft om publiek te trekken heeft Humboldt Sate Park alleen aan de omgeving voldoende.
Even later besef ik dat het nog fenomenaler zou zijn wanneer het State Park attracties uit de Efteling door het park zou laten aanleggen, dat zou van Humboldt State Park pas echt een succesnummer maken. Een paar bochten na deze gedachte vraag ik mij af sinds wanneer ik in bezit ben van iets dat op een commerciële zenuw lijkt (een duidelijk symptoom van veramerikanisering)? Schrikkend van de vraag verwerp ik de fantasie en fiets stil verder door de tunnel van overhangende redwoods -wanneer er bomen staan donker en koel, wanneer er geen bomen staan warm en licht-.
Aan het einde van mijn dag kom ik bij voor wat mijn parkeerplek van vandaag zal worden. De eigenaresse van de camping ziet mij al aankomen voor ik het kantoortje bereikt heb en na een hartelijke verwelkoming en een duidelijke uitleg van de bezoeken gebieden betaal ik voor mijn kampeerplek en loop naar buiten.
De eigenaresse volgt mij op de voet en samen eindigen we op de patio voor het kantoor. Ik probeer vanaf de patio mijn kampeerplek te vinden, maar mijn blik word gevangen door wat ik op vier meter afstand in de linkerbovenhoek van mijn blikveld zie: De tinkerbells van het redwoord forest, kolibriën. Omdat ik even twijfel vraag ik ter bevestiging of ik zie wat ik denk dat ik zie. De vrouw pakt me daarop bij mijn arm en leidt me naar een stoel een paar meter achter mij. Daar blijft ze staan en zegt ‘Kijk naar die voederbak’ (een sterk uitvergrote doorzichte aardbei op zijn kop gevuld met suikerwater). Even zie ik niets bewegen, maar dan komen vanuit verschillende hoeken de vogeltjes aangevlogen en een fantastisch schouwspel over hoe de vogeltjes zichzelf vliegend voeden en tegelijktijd vechten om een plekje rond de voederbak.
Na een paar minuten sprakeloos staren vertel ik haar dat dit misschien het hoogtepunt van mijn reis is: ‘Cycling through the Avenue of the Giants to meet some hummingbirds at the end of the day’. Daarna fiets ik naar mijn kampeerplek, zet mijn tent op, neem een warme douche en ga verder met mijn boek “Hells Angels” van Hunter S. Thompson om deze, tot dusverre zeer zachte en groene dag met een ruwe tint af te sluiten.
Je vraagt je misschien af waarom ik zo opzettelijk de lieve vrede in mijn hoofd verstoor met een boek over leer & smeer-freaks op veel te luid ronkende Harley’s? Zie het alsof je de maaltijd begint met een heldere bouillon om na het prikkelende hoofdgerecht af te sluiten met een dubbele espresso en een soepele vierentwintig jaar oude single malt whisky en een sigaar. Aan het einde van een dag waarin de zintuigen slechts zachte duwtjes in de rug hebben gekregen is het soms moeilijk de slaap te vatten. Een keiharde klap, vol op de neus en precies tussen de ogen van de zenuwuiteinden is het enige dat dan helpt. Whisky en een boek over Hells Angels zijn verschillende middelen, maar dienen hetzelfde doel, het garanderen van een goede nachtrust.
Als enige ware afsluiting kan ik alleen nog maar schrijven: Welterusten